Rechtvaardige en duurzame zorg

Eind juni 2006 is het advies Zinnige en duurzame zorg uitgebracht. Dat advies gaf onder meer antwoord op de vraag welke criteria moeten worden gehanteerd om prioriteiten te stellen bij het vergoeden van zorg uit collectieve middelen. Twee onderdelen bleven onbeantwoord: wat houdt ‘rechtvaardigheid’ in en wat zijn de rollen en verantwoordelijkheden van de te onderscheiden partijen bij de prioriteitenstelling.

Rechtvaardigheid

Bij de beslissing over de vraag of een interventie uit collectieve middelen moet worden betaald, mogen leeftijd, geslacht, etnische afkomst, seksuele geaardheid en sociaal-economische status geen rol spelen. Dit is een opvatting die breed wordt gedragen. De Raad onderschrijft deze. Een uitzondering hierop vormen die situaties waarin op basis van wetenschappelijk onderzoek is komen vast te staan dat de werkzaamheid van een interventie als gevolg van één van deze kenmerken groter of kleiner is dan die van andere groepen binnen dat kenmerk en dat de verschillen niet door andere factoren kunnen worden verklaard.

Ook mag mensen geen zorg worden onthouden als hun gedrag oorzaak is voor het vragen om zorg. Dit mag wel wanneer onderzoek heeft uitgewezen dat volharden in dit gedrag ertoe leidt dat de zorg niet effectief is.

Principebesluiten

In de tweede fase van de beoordeling of zorg wel of niet uit collectieve middelen moet worden betaald (de appraisalfase), dient te worden nagegaan of in de eerste (assessment) fase genomen principebesluit – voornamelijk gebaseerd op ziektelast en kosteneffectiviteit – niet onbedoeld toch in strijd is met rechtvaardigheid en solidariteit. Daarbij kunnen overwegingen aan de orde komen als ‘eigen verantwoordelijkheid’ en ‘maatschappelijke neveneffecten’. Dergelijke overwegingen kunnen ertoe leiden dat principebesluiten die als gevolg van de assess-ment zijn genomen, worden herzien.

Evaluatiemoment

De Raad pleit ervoor om in de Zorgverzekeringswet de mogelijkheid op te nemen tot tijdelijke toelating c.q. tijdelijke financiering van interventies onder voorwaarden. Dit houdt in dat een evaluatiemoment wordt gekozen waarop (kosten)effectivi-teit en andere aspecten van desbetreffende interventie worden bezien op basis van in de praktijk verzamelde gegevens. Deze optie kan zowel voor innovatieve, als voor bestaande interventies gelden, met name in gevallen dat geen of onvolledige gegevens beschikbaar zijn om een goed oordeel te kunnen vellen.

Maatschappelijke toetsing

Ten slotte wijst de Raad op het belang van de ‘maatschappelijke toetsing’ van het ‘principebesluit’, dat voortvloeit uit de assessmentfase. De Raad is van mening dat deze maatschappelijke toetsing onafhankelijk dient te geschieden en door anderen dan degenen die belast waren met de assessment. De Raad beveelt aan hiervoor een commissie bij het CVZ in te richten, waarvan de leden door de Kroon worden benoemd op voordracht van maatschappelijke organisaties.

De verantwoordelijke raadsleden voor het advies waren mr. A.A. Westerlaken en prof. dr. J.P. Mackenbach. De projectleider was drs. A.J.G. van Rijen, projectmedewerker drs. L. Ottes, arts.