Désiré speelde in een zandbak met stickertjes op haar hoofd

Désiré is in 1966 geboren in Enkhuizen en groeide op in Egmond aan Zee. Haar moeder had zware psychische problemen. Later zou blijken dat het een postnatale depressie was, waar niet goed op werd gereageerd. Zoals typisch was in de jaren 70, werd haar moeder volgestopt met pillen. Dat zette veel druk op haar vader. Het gezin raakte in de geldproblemen en de vader van Désiré begon te drinken en te slaan. De hulpverlening was op de hoogte, maar keek vooral naar het gedrag van de jonge Désiré. De achterliggende gezinsproblematiek werd niet in kaart gebracht. Dat bleef niet zonder gevolgen.

©Peter van Beek

Désiré en haar broertje groeien op in een gezin met veel problemen. Vader is alcoholist, moeder wordt met periodes in psychiatrische ziekenhuizen opgenomen. Dat is in die tijd niet zoals nu: ze krijgt er meer pillen dan hulp. In het weekend gaat Désiré altijd bij haar moeder op bezoek. Het gezin brokkelt langzaam af. Jeugdhulp is op de hoogte, maar Désiré vindt dat ze daar vet tekortschieten. Ze moet bijvoorbeeld in een zandbak spelen met een spiegel aan de muur en stickertjes op haar hoofd. Zo kijkt men of het wel goed met haar gaat. Désiré gaat naar de land- en tuinbouwschool,  maar de problemen vreten aan haar motivatie, studeren vindt ze niet meer van belang. Uiteindelijk zal ze in haar schoolcarrière 7 scholen verslijten.

Voor de jonge Désiré is het leven vooral overleven. Ze heeft het gevoel dat zij en haar broertje van alles de schuld krijgen. Voor haar broertje wordt de situatie te veel. Hij vertoont baldadig gedrag en wordt verplicht opgenomen in een gesloten jeugdinstelling, dus Désiré bezoekt nu niet meer alleen haar moeder in een instelling. Ze vindt het niet echt inspirerende omgevingen. Als Désiré 14 is, is de angst voor haar vader niet meer te dragen en verlaat ze samen met haar moeder het ouderlijk huis.

Désiré en haar moeder komen in een blijf-van-mijn-lijfhuis terecht. Ze zitten er tussen ex-prostituees en verslaafden. De psychische problemen van haar moeder blijven aanhouden. Als ze een psychose krijgt, wordt ze van haar dochter gescheiden. Désiré komt in een pleeggezin terecht. Een warm nest. Maar haar pleegouders hebben een café en daar wordt veel gedronken en gesnoven. Vaak zit Désiré tot 3 uur ’s nachts in het café. Op school gaat het niet goed. Tot ze op een dag door een lerares apart wordt genomen. Zij zegt dat Désiré slim genoeg is, dat ze nog even moet volhouden. Uiteindelijk maakt ze met veel vallen en opstaan toch nog de huishoudschool af.

Nog voor haar 18e verjaardag verlaat Désiré het pleeggezin en gaat terug naar haar moeder. Daar blijft ze niet lang. Met de hulp van Jeugd & Gezin komt ze aan een eigen woonruimte. Ook krijgt ze een uitkering en waardebonnen om boodschappen mee te doen. Haar woonruimte staat in een achterstandsbuurt met veel prostitutie en ze woont er samen met een suïcidaal iemand. Op zich heeft ze er een mooie tijd. Ze probeert overeind te blijven en haar leven invulling te geven. Désiré gaat aan de slag bij een shoarmatent en begint aan een studie Sociaal Pedagogische Hulpverlening. Ondanks haar baantje en de studiefinanciering lukt het haar niet om rond te komen. Het valt haar zwaar. Désiré krijgt stilaan het gevoel dat het uitzichtloos wordt.

Op een dag wil ze examen doen, maar ze is ziek en wordt naar huis gestuurd. Thuis aangekomen ziet ze dat haar huis vol zit met junkies. Echte junkies. Er worden spuiten uitgedeeld. Er knapt iets in Désiré. Als je dan toch naar de klote moet, kun je er beter zelf voor kiezen, vindt ze. Désiré geeft zich over, ze gebruikt heroïne. Haar emotionele pijn wordt verdoofd. De huisgenoot kijkt toe. In de 8 jaar die volgen zinkt Désiré diep. Huis kwijt, in de auto slapen. Auto kwijt, onder een brug slapen. 2 keuzes resten haar nog: de prostitutie of de criminaliteit. Désiré kiest voor het tweede. In die periode wordt ze 26 keer opgepakt door de politie en evenveel keren weer vrijgelaten. De vergrijpen zijn niet ernstig genoeg, de cellen zitten vol.

Aanhouding 27 verloopt anders. 2 rechercheurs die met haar praten, maken enorme indruk op haar. Zij snappen niet hoe een slimme meid als Désiré zo diep gezonken kan zijn. Wat is ze met haar leven van plan? Het betekent een kentering. Maar ze krijgt wel een straf van 3 jaar plus 1 jaar voorwaardelijk. Er breekt een tijd van verandering aan. Désiré vraagt of ze kan worden overgeplaatst naar een drugsvrije afdeling. De gevangenis helpt mee. Het leven is er anders dan in het Huis van Bewaring, waar ze haar eerste tijd heeft doorgebracht. De celdeuren zijn er open. Er is hulpverlening, en elke avond voordat ze gaat slapen, komt er iemand vragen hoe ze de nacht in gaat.

Als haar straf er bijna opzit, voelt Désiré zich onzeker worden. Contact met haar vader heeft ze niet meer, haar broer is verslaafd en haar moeder is instabiel. Ze ziet niet in hoe ze opnieuw kan beginnen. Désiré deelt haar zorgen met de begeleider van de gevangenis. Die wijst haar op een artikel in het wetboek dat haar het recht geeft om een aanvraag te doen voor behandeling terwijl ze nog in detentie zit. Ze vraagt om opname in een antroposofische instelling die ook nazorg met begeleid wonen aanbiedt. Dat spreekt haar aan. De laatste maanden van haar straf mag ze in de kliniek doorbrengen. Daarna gaat ze in een nazorghuis wonen, waar ze haar eerste kind krijgt, een zoontje. Een jaar later woont Désiré zelfstandig. Dat gaat lange tijd goed. Ze gaat samenwonen met haar vriend en wordt voor de 2e keer moeder, ditmaal van een dochtertje.

©Peter van Beek

Op een dag komt ze erachter dat ze nog een schuld heeft uitstaan van haar studiefinanciering. De post daarover is steeds op haar oude adres bezorgd. Dat wist ze niet. Ze begrijpt het ook niet, want toen was ze al verslaafd en dakloos. Deurwaarders leggen beslag op haar uitkering. Ze komt in de schuldsanering terecht en krijgt een bewindvoerder toegewezen. Deze man wordt kort na zijn aanstelling ontslagen, hij blijkt frauduleus te zijn. Désiré weet de eindjes amper aan elkaar te knopen. Samen met haar kinderen leeft ze in armoede. Een huisuitzetting dreigt. Gas en elektra worden regelmatig afgesloten. Ze plukt brandnetels om brandnetelsoep te maken.

De situatie knaagt aan haar mentale toestand en aan haar relatie. Fysiek geweld volgt. Désiré ontvlucht met haar kinderen het huis. Ze klopt aan bij de afkickkliniek waar ze de laatste keer zat. Daar zijn mensen die ze vertrouwt. Ze krijgt crisisopvang. Terug naar haar eigen huis kan ze niet, want haar ex weigert te vertrekken. Met de hulp van een wijkagent en een woningcorporatie vindt ze een nieuwe woning. Ook vraagt ze opnieuw een uitkering aan, maar daar wordt ook weer beslag op gelegd. De stress loopt op. Ze vindt zelf dat ze haar kinderen niet goed behandelt. Désiré gaat naar de huisarts en vraagt om hulp. Systeemtherapie, kunsttherapie, schematherapie, gezinscoaching… alles neemt ze aan.

De jeugdzorg wordt op de hoogte gebracht van de situatie. Een paar keer dreigt Désiré haar kinderen kwijt te raken, maar daar steekt de afkickkliniek, die haar nog steeds begeleidt, een stokje voor. Om haar leven een zinvolle invulling te geven, doet ze vrijwilligerswerk. Stap voor stap krijgt ze grip op de dingen. Ze heeft zin om te werken, zoals iedereen. Dus belt ze de sociale dienst. Daar krijgt ze te horen dat ze in de categorie afgeschrevenen valt. Dat doet haar wat, maar ze houdt vol. Uiteindelijk krijgt ze een trajectbegeleider toegewezen. De schulden hangen nog steeds boven haar hoofd. Regelmatig dreigt er beslag te worden gelegd op haar spullen, maar haar begeleider weet dat telkens te voorkomen. Het is allemaal heel stressvol.

Werk zoeken gaat niet vanzelf, Désiré wordt regelmatig afgewezen. Haar verleden staat haar in de weg. Op een dag is ze daar klaar mee. Ze schrijft een cv dat niets verbloemt: detentie, huiselijk geweld, verslaving… alles staat erin. En tot haar eigen verbazing werkt dat: ze vindt een baan als ervaringsdeskundige. En om aan de deurwaarders te ontkomen, gaat ze voor de derde keer vrijwillig een saneringstraject in. Ook kiest ze zelf haar bewindvoerder. Dit keer wetende dat het ook echt de laatste keer is, omdat de studieschuld door de rechter is kwijtgescholden. Uiteindelijk zal ze na een zware periode van ruim tien jaar van haar schulden verlost zijn. Het enige wat ze nog moet betalen is de rente.

Haar gezondheid loopt door al die dingen schade op. Aan haar verslaving houdt Désiré een zwevende-ribsyndroom over door de lange periodes van verkleuming. Ook heeft ze last van een chronische bacteriële infectie die ze alleen de kop in kan drukken door lange tijd antibiotica te gebruiken. In de gevangenis zijn meerdere van haar kiezen getrokken, want gedetineerden hebben geen verzekering. Dat weer laten opknappen ligt niet voor de hand, omdat ze niet in aanmerking komt voor een goede zorgverzekering. Maar met behulp van haar tandarts lukt het toch.

Nu werkt Désiré al 5 jaar als ervaringsdeskundige. Graag wil ze dit combineren met een wereldreis. Met een camper en een hond rondtrekken om te helpen bij mooie projecten met verslaafden of moeilijke jongeren. Ze gelooft in de waarde van ervaringsdeskundigheid. Ze denkt dat de sleutelfiguren die haar herstel mogelijk hebben gemaakt, ook nare ervaringen in hun omgeving hebben gehad. Hoe hadden zij anders haar problemen kunnen herkennen? Hoe hadden ze kunnen weten hoe ze daarop moesten inspelen? Kunnen zeggen wat ze gezegd hebben?

Door haar verleden heeft Désiré weinig van de wereld gezien. Dat wil ze inhalen. Maar nu nog niet. Eerst wil ze haar dochter helpen. Met een woning, een goede opleiding, een baan en spaargeld. Alles wat haar eigen moeder niet heeft kunnen doen voor Désiré.