Anoniem: het gezicht dat niet mag bestaan

Hij is 31 jaar en is geboren in Colombia. Zijn vader is nooit in beeld geweest. Hij is opgegroeid met het idee dat zijn vader hem nooit echt mocht. Zijn moeder was verpleegkundige. Toen het slecht ging met de Colombiaanse economie, schoot zijn vader hen niet te hulp. Een vriendin van zijn moeder was getrouwd met een Nederlandse man. Daar begon de droom over een betere toekomst. Een droom die 5 miljoen Colombiaanse peso kostte. Geld dat zijn moeder zou kunnen terugbetalen door het poetsen en onderhouden van het landhuis van de vriendin. Maar eenmaal in Nederland kwam de ware aard van de vriendin naar boven. De onmenselijke kant. Nu woont hij al 18 jaar ongedocumenteerd in Nederland, samen met zijn moeder.

©Peter van Beek

In mei 2002 komt hij samen met zijn moeder in Nederland aan. Zoals afgesproken begint zijn moeder  vrijwel onmiddellijk met het huishoudelijk werk in het grote landhuis met zwembad van de vriendin. Het is niet ver van Rotterdam. De vriendin heeft het toeristenvisum betaald en dat moet worden vergoed. In het begin gaat het nog goed, maar langzaam maar zeker wordt er steeds meer van zijn moeder verwacht. Ze wordt vernederd. Dag en nacht is ze aan het werk. Vrije dagen worden haar na een paar maanden niet meer gegund. Als jongen van 11 werkt hij mee in het landhuis. Zo wordt het geld hopelijk sneller afbetaald.

In het begin krijgen ze nog 3 maaltijden per dag. Dat loopt al snel terug naar 1. Ook verliest zijn moeder het zicht op de schulden aan de vriendin. Ze informeert er geregeld naar, maar het enige antwoord dat ze krijgt is dat er nog veel te betalen is. De dochter van de vriendin krijgt in de gaten dat er iets niet klopt. Als er ooit iets voorvalt, zal zij te hulp schieten, zegt ze. En er gebeurt inderdaad iets. Zijn moeder laat weten dat ze de situatie niet langer verdraagt, dat ze weg wil uit het landhuis. Er komt ruzie van. Midden in de nacht wordt de moeder met haar jonge zoon op straat gezet.

Na uren lopen vinden ze een telefooncel. Ze bellen de dochter van de vriendin op. Zij komt hen ophalen en biedt een slaapplek aan. Dat is in het zuiden van het land. Zijn moeder zoekt snel ander werk, maar haar zoon kan daar niet naar school, en ze voelen zich een last voor de jonge vrouw. Ze zien zich genoodzaakt terug te gaan naar hun eerdere omgeving. Het is de eerste keer van wel 1000 keer verhuizen in Nederland. Elk onderkomen is tijdelijk. En steeds is het een plek waar ook andere mensen wonen.

Nederland kent leerplicht, dus hij gaat gewoon naar school, zoals elk ander kind. In het begin kent hij geen Nederlands, maar hij is leergierig en leert de taal snel. In korte tijd spreekt hij vlekkeloos Nederlands. Hij gaat vmbo praktijk doen. In die periode ervaart hij nog geen stress, alle druk ligt bij zijn moeder. Zij moet het zien te redden met haar jonge zoon. Op school doet hij het goed. Toch stopt hij net voordat hij 18 wordt. De schoolleiding vertelt hem dat zijn documenten mogelijk gecontroleerd worden als hij niet meer leerplichtig is, maar daar nog wel naar school gaat. Dat schrikt hem af. Een diploma gaat hij niet behalen.

Vanaf dat moment scheiden de wegen van moeder en zoon een tijdje. In plaats van naar school te gaan, doet hij links en rechts klusjes. Ook zoekt hij een eigen woonruimte. Dat lukt niet onmiddellijk. Eerst kan hij nog bij vrienden terecht, maar dat blijft niet duren. Hij is 17 en moet voor het eerst op straat slapen. Dat vertelt hij niet aan zijn moeder. Ze zou zich ongerust kunnen maken, ongelukkig worden. En hij schaamt zich ervoor. Hulp vindt hij niet. Wel klopt hij een keertje bij de politie aan. Hij vraagt of hij daar een nacht mag slapen. Het smoesje dat hij gebruikt, is dat hij zijn trein heeft gemist. De politie doet de deur voor zijn neus dicht.

In al die jaren woont hij op 2 momenten samen met zijn moeder in een eigen woonruimte. Dat vinden ze zalige perioden. De eerste keer kunnen ze voor 1 jaar onderhuren van een man. Beneden wonen drugsverslaafden die altijd ruzie hebben. De politie komt daar vaak op af en dat zorgt voor stress. Ze zijn bang om betrapt te worden. Het gedoe houdt aan. De zoveelste keer dat de politie bij de benedenburen voor de deur staat, zeggen die dat ze beter eens boven kunnen gaan kijken. Ze worden verklikt. Als de politie binnenvalt, is hij niet thuis, zijn moeder is alleen. Zij is een onschuldig uitziende vrouw van 65 jaar. Ze doet alsof ze daar in haar eentje woont, dat hebben ze onderling afgesproken: wat er ook gebeurt, zeg nooit iets over het bestaan van de ander.

©Peter van Beek

De politie laat de vrouw met rust. Wel is het duidelijk dat ze daar weg moeten. Het risico is te groot. Niet veel later komt er een brief waarin staat dat ze 2 weken tijd hebben om zich te registeren op het adres, anders worden ze het huis uitgezet. Eindelijk hadden ze wat spullen verzameld, een relatief stabiel bestaan opgebouwd. Dat stopt. Wat niet in de koffer past, laten ze achter. Op naar de volgende woonplek.

Het tweede moment waarop hij samen met zijn moeder een eigen woonruimte heeft, is enkele jaren later. Ditmaal bij een vrouw en haar nichtje. Dat gaat 8 maanden goed. Dan krijgt het nichtje ruzie met hen en gooit al hun spullen op de gang. Ze proberen nog verhaal te halen bij de vrouw, maar dat haalt niets uit. Zij durft niet tegen haar nichtje op te boksen. Ze zijn boos en verdrietig, maar moeten vertrekken. Er wordt hen maar eventjes tijd gegund om in te pakken. Hij gooit alles in vuilniszakken. Vuilzakken worden zijn vrienden. Ze zijn handig, je kunt er snel veel mee inpakken. De spullen die er niet in kunnen, kan hij bij een buurman achterlaten. Terwijl hij inpakt, kijkt het nichtje toe. Ze vernedert hem, lacht hem uit, en scheldt zijn moeder uit voor hoer. Dat valt hem zwaar. In al die jaren is zijn moeder er net in geslaagd om uit de prostitutie te blijven.

Ze verlaten het huis. Moeder en zoon gaan op een bankje zitten en barsten in huilen uit. Wéér moeten ze helemaal van voren af aan beginnen. Ze staan opnieuw op straat. Zo gaat hun leven in Nederland verder. Constant zijn ze afhankelijk van mensen die hen voor een tijdje aan een slaapplek willen helpen. Tot dat ophoudt. Dan moeten ze weer naar een nieuwe plek. Overdag probeert hij zo veel mogelijk op straat te zijn. Zo valt hij niemand lastig en is de kans groter dat ze langer op dezelfde plek kunnen blijven. Dat mensen hen niet beu worden. In principe leeft hij gewoon op straat. En alle baantjes die hij krijgen kan, neemt hij aan. Hij doet van alles: schoonmaken, oppassen, werken in de bouw, huisdieren verzorgen, ramen wassen. En natuurlijk doet hij al het werk zwart.

Hij komt ook veel slechte mensen tegen. Vaak krijgt hij drugs aangeboden of wordt hem gevraagd of hij die wil verkopen. Dat doet hij niet, dat zal hij ook nooit doen en daar is hij heel trots op. Zijn enige slechte daad is roken. Soms heeft hij het gevoel dat hun situatie onrechtvaardig is. Er zijn in Nederland mensen die niets nuttigs doen, er zelfs criminele activiteiten op nahouden, en toch documenten krijgen. Zij krijgen zelfs een prijs die uitkering heet. Dat wil hij niet. Geld ontvangen hoeft niet. Maar documenten zouden wel enorm helpen, want dan kan hij hier misschien een normaal leven opbouwen.

Voor iemand zonder documenten zijn de normaalste zaken heel ingewikkeld. Zijn moeders gezondheid is niet zo goed, ze heeft artrose. En sinds ze haar enkel zeer ernstig heeft verzwikt, kan ze moeilijk lopen. Ze moet ermee naar het ziekenhuis. Dat kan natuurlijk niet zomaar. Via een stichting lukt het hen om aan een papier te komen waarmee ongedocumenteerden naar het ziekenhuis kunnen. Dat is handig, zo blijkt. Even naar de tandarts gaan voor controles  kan bijvoorbeeld niet. Het is dan wachten tot de kies echt wegrot en de pijn niet langer te harden is. Diezelfde papieren van die stichting heeft hij een tijdje later dus weer nodig. De kies moet er snel uit.

Geld is altijd een probleem. Af en toe moet hij zwartrijden in het OV. Om geld te besparen rijdt hij vooral zwart als hij maar 1 of 2 haltes mee hoeft, dan is het risico om gepakt te worden lager. Op een dag wordt hij betrapt in de tram. Maar daar heeft hij zich op voorbereid. Een vriendin van hem heeft gezegd dat als hem dit ooit zou overkomen, hij de naam van haar broer mag opgeven. Dat doet hij, maar hij geeft daarbij wel de verkeerde geboortedatum door. Bijna valt hij door de mand, maar als door een wonder kan de conducteur geen verbinding krijgen met de centrale. Hij mag dus ter plekke afrekenen. Maar hij heeft geen geld. In paniek belt hij zijn moeder: ze moet zich haasten met het benodigde geld. Dat doet ze. In haar pyjama en op haar pantoffels gaat ze richting tramhalte. Weer een gevaar afgewend.

©Peter van Beek

Het zijn anekdotes, dat weet hij, maar ze duiden wel op het grotere probleem: geen documenten, geen bankpas, geen zorgverzekering. En het belangrijkste is dat ze nergens officieel kunnen werken. Een vriendin die manager bij de Bijenkorf is, zegt dat ze hem zo zou aannemen, maar dat kan simpelweg niet. Ook bij de voedselbank kunnen ze niet terecht, want daar moet je aantonen hoeveel inkomen je hebt. En iets aantonen kunnen ze niet. Alle deuren naar hulp zijn gesloten. Ze proberen alles om aan documenten te komen. Ze schrijven een brief aan de koning en de koningin, en ook aan de burgemeester van de grote stad waar ze wonen. Maar hij vermoedt dat de secretaresses die openen. Ook gaan ze naar de IND. De oplossing is geen oplossing: of liegen dat ze asielzoekers zijn, of met een Nederlandse trouwen. Maar hij heeft principes. Hij wil liegen noch trouwen. Tenzij het met iemand is van wie hij echt houdt.

In zijn netwerk heeft hij 3 Nederlandse mensen die hem goed helpen. Ze stellen een plan voor hem op om naar Spanje te gaan. Daar is het makkelijker om documenten te krijgen. Alles wordt geregeld. Hij kan daar een tijdje verblijven bij kennissen van een van zijn vrienden. Ook willen ze garant staan voor het benodigde geld. Maar dan komt corona. Misschien is dat ellendige virus wel een teken dat Spanje zijn bestemming niet is.

Nu is hij 31, en al achttien jaar leeft hij van de hak op de tak. Nooit stabiliteit. Ze kwamen hier met koffers vol dromen, maar daar is niets van terechtgekomen. Hij woont bij een vriend. In een soort voorraadkast slaapt hij op een matras op de grond. Dat doet zeer aan zijn rug, hij heeft veel spierpijn. Hij betaalt 150 euro huur per maand, dat vindt hij ook normaal. Maar de vriendin van die vriend is er niet blij mee dat hij daar slaapt, dus hij weet niet hoelang het nog goed zal gaan. Zijn moeder woont bij een vriendin. Dat is redelijk stabiel, lijkt het. Ze werkt minder door corona, mensen maken tegenwoordig zelf hun huizen schoon. Maar de vriendin is flexibel. Ze mag voorlopig minder huur betalen.

Ondanks alle ellende is hij dankbaar en wil hij in Nederland blijven. Hij voelt zich veel meer Nederlander dan Colombiaan. Dit is het land waar hij volwassen geworden is. Mentaal is hij heel sterk. Hij heeft geleerd om zich goed en vrolijk te houden bij andere mensen. Al is hij in zijn leven vaak vernederd en werd er misbruik van hem gemaakt, positief blijven is een plicht. Tegelijkertijd is hij moe. Heel moe. Als hij de schone schijn niet op hoeft te houden, voelt hij veel stress en verdriet en moet hij huilen. Hij eet ook steeds minder en is elf kilo afgevallen.

Zijn droom is om documenten te krijgen. Dan is hij niet meer ‘illegaal’. Dat vindt hij een stom woord, want hij is geen crimineel. Dus hij noemt zichzelf altijd ongedocumenteerd. Als hij papieren heeft, kan hij werken en wil hij studeren, want hij kan en wil veel van zichzelf laten zien. Ook wil hij voor zijn moeder zorgen. Zij is de enige familie die hij heeft.