Robbin komt op zoveel plaatsen dat hij het niet meer kan plaatsen

Robbin is nu 26. Hij komt uit een Brabants dorpje en heeft een jonger zusje. De opstapeling van problemen is bij hem al heel vroeg begonnen. De gezinssituatie was nooit stabiel. Zijn vader was gokverslaafd, lustte graag alcohol en had losse handen. Er waren geldproblemen. Vaak moest Robbin het ontbijt maken voor zijn zusje. Frikandellen in de magnetron. Er kwamen weleens deurwaarders aan de deur, maar daar heeft de jonge Robbin weinig van meegekregen. Hij had veel Playmobil, de liefde werd gekocht. Ze verhuisden veelvuldig. Robbin logeerde vaak bij oma en opa. Daar was het fijn.

©Peter van Beek

Op het moment dat de ouders van Robbin in een vechtscheiding terechtkomen, is hij ongeveer 5 jaar. De kinderen worden daarin betrokken, ze vormen onderdeel van de ruzies. De kleine Robbin en zijn zusje blijven bij hun vader wonen. Hun moeder heeft geen huis. Er gebeuren nare dingen, zoals vader die probeert moeder aan te rijden, terwijl Robbin en zijn zusje achter in die auto zitten. Als hij 7 wordt, gaat hij toch bij zijn moeder wonen. Dat is in het begin leuk. Zijn moeder is dan 27 jaar. Haar nieuwe vriend, Robbins stiefvader, is op dat moment 17 jaar.

Omdat zijn stiefvader nog jong en speels is, kan Robbin het goed met hem vinden. Ook krijgt Robbin er een halfzusje bij. De vrede in huis duurt echter niet lang. Zonder dat Robbin weet waarom, begint het tussen moeder en stiefvader te botsen. Is er te weinig geld? Of ligt het aan de kinderen? Robbin weet het niet. Er ontstaat veel geweld. Zijn stiefvader heeft losse handen. Met name rond etenstijd lopen de conflicten vaak hoog op. Robbins moeder maakt regelmatig macaroni uit pakjes van Honig. Dat vindt Robbin maar niks. Vaak gaat hij zonder eten naar bed. Robbin kan nergens naartoe. Hij heeft nog maar sporadisch contact met zijn vader, en in de rest van de familie is er veel ruzie. Als zijn oma komt te overlijden, drogen de contacten bijna volledig op.

Op zijn 13e heeft Robbin voor het eerst contact met de jeugdzorg. De peettante van Robbin doet melding bij de jeugdbescherming. Achteraf komt hij te weten dat deze tante zijn moeder al bij Robbins geboorte heeft aangeraden hem aan haar af te staan. De jeugdzorg organiseert een breed familieberaad waarin afspraken worden gemaakt. In de 8 jaar die daarop volgen, woont hij op maar liefst 25 adressen. Hij gaat van crisispleeggezin naar pleeggezin naar crisispleeggezin naar leefgroep  naar crisispleeggezin naar moeder naar pleeggezin naar crisispleeggezin naar moeder naar pleeggezin naar jeugdinstelling… Gemiddeld woont hij 3 maanden op een adres. En dan weer verder. Robbin komt op zo veel plaatsen dat hij het niet meer kan plaatsen. Bezoek van zijn familie krijgt Robbin nooit. Ook niet als hij een keer dichter bij zijn familie woont. De afspraken uit het familieberaad worden helemaal niet nagekomen. Hij is teleurgesteld en voelt zich alleen.

Op school doet hij het redelijk goed. Met name zijn tijd op het vmbo ervaart hij als aangenaam. Het voelt als zijn thuis, er zijn fijne docenten waar hij veel aan heeft. Zij zijn op de hoogte van Robbins situatie. Als hij een keertje flipt, kunnen ze het plaatsen, ze weten waar dat vandaan komt. Soms vergaderen de leraren tot acht uur in de avond met de jeugdbescherming om zaken te regelen. Dit staat in schril contrast met zijn tijd op het mbo: dat is een drama.

Robbin begint aan de koksopleiding. Na een tijdje houdt hij ermee op, de benodigde materialen voor de opleiding zijn te duur. Er volgt een periode waarin hij niet weet wat hij aan moet met zijn leven. Een periode die tot op de dag van vandaag zal duren. Om zijn dagen te vullen moet hij van de jeugdzorg iets gaan doen. Hij begint met vrijwilligerswerk bij een kinderboerderij. Het gezelschap van de dieren vindt hij fijn, en daardoor komt hij op het idee om dierenzorg te gaan studeren. Zonder succes. Het eerste jaar haalt hij niet. Achteraf denkt hij dat dit veel te maken heeft met zijn instabiele leven. Van de jeugdzorg mag hij opnieuw de opleiding dierenzorg proberen, maar ook dan loopt het fout. Met  Robbin gaat het niet goed, hij wordt een poosje opgenomen in een ggz-instelling.

Robbin kruipt in de slachtofferrol. De school wil een uitzondering maken en hem nog eens toelaten, maar Robbin heeft er geen zin meer in. Hij neemt bijbaantjes, van bij de kinderboerderij tot in de friettent. Gamen wordt zijn vlucht. Een depressie krijgt hem in zijn macht, suïcidale gedachten ook. Robbin voelt zich een doorschuifkindje. De jeugdzorg vindt dat de situatie niet meer houdbaar is en hij wordt gedwongen opgenomen in een ggz-instelling. Het taxibusje staat klaar, Robbin heeft geen keuze. In de instelling ontmoet hij mensen die er erger aan toe zijn dan hijzelf. En hij wordt volgestopt met medicijnen. Hij sluit zich op in zijn kale kamer, zonder attributen waarmee hij zichzelf iets zou kunnen aandoen.

©Peter van Beek

Robbin dient een aanvraag in voor een hulpverleenster met wie hij een goede band heeft. De instelling gaat akkoord. Hij is gedreven om uit zijn situatie te komen. En hij weet dat hij een schop onder zijn kont nodig heeft. Robbin wordt overgeplaatst naar een open ggz-instelling, maar ook dat is een plek waar hij zich niet thuis voelt. Er zitten veel akelige mensen. Uiteindelijk komt hij in aanmerking voor begeleid wonen. Het is 2015 als Robbin een zelfstandige woning krijgt. Iets later verhuist hij naar een studentenflat in een andere stad. Daardoor stopt hij met zijn bijbaantjes.

Robbin krijgt een relatie en foute vrienden, en zijn vlucht verplaatst zich van gamen naar drugs. De grens tussen recreatief gebruik en verslaving vervaagt. Ze doen veel: wiet, ketamine, speed, xtc. Maar nooit heroïne, daar zit een harde lijn. Spuiten gaat te ver. Ondanks alles gaat hij terug naar school. Eigenlijk doet hij dat voor de studiefinanciering. Het is gedoemd om te mislukken. En dat doet het ook. In die periode krijgt Robbin nog wel begeleiding, maar niet meer van de jeugdzorg. Daarvoor is hij te oud geworden. Het is een spannende tijd. Er wordt afgesproken dat hij bij zijn oude jeugdzorginstelling kan gaan werken. Zijn ervaringen kunnen van waarde zijn. Maar door de decentralisaties in de jeugdzorg loopt dat proces vertraging op.

In 2016 kan Robbin er eindelijk aan de slag. Het is het moment waarop hij besluit nooit meer drugs te doen. Dat is niet fair naar anderen toe, vindt hij. De vrienden die hij heeft, besluit hij alleen nog een-op-een te zien. Feestjes gaat hij uit de weg. Zo dooft zijn vriendenkring langzaam maar zeker uit. Robbin gaat een opleiding tot ervaringsdeskundige volgen. En hij gaat opnieuw in een andere stad wonen, antikraak dit keer. De opleiding zit er binnen enkele maanden op. Het is 2020 en Robbin werkt intussen bijna 5 jaar bij de jeugdzorginstelling, 28 uur per week.

Aan de tijd dat hij zelf in de jeugdzorg zat, heeft Robbin schulden overgehouden. Die zijn nu afgelost,  maar een financiële buffer opbouwen lukt niet. Het leven is te duur. Graag wil hij naast een baan als ervaringsdeskundige ook andere dingen doen. Wat bijverdienen. Hij probeert nu zijn vrachtwagenrijbewijs te halen. Dat scheelt kosten voor een echte opleiding en het moet hem toch in staat stellen meer te verdienen, zodat hij een eigen fijne woonplek kan vinden. Verhuizen is echt een ding geworden in zijn leven. Het antikraak wonen is niet stabiel genoeg, daar wil Robbin vanaf.

Robbins droom is een normaal leven leiden. Wat voor de maatschappij normaal is, is niet wat voor hem normaal is. Dus een fijne woonruimte, huisje-boompje-beestje, gezinnetje, geen geldzorgen, leuke baan, fijne collega’s. Ook wil hij leren om beter met zijn emoties om te gaan. En hij wil zich graag kunnen hechten in een relatie.